Op zoek naar een beetje rust

Mensen die mij kennen, weten dat ik niet zo van drukte houd. In het weekend naar de Ikea heb ik lang geleden al in de categorie ‘slechte ideeën’ geplaatst, bijvoorbeeld. Net als ‘gezellig’ samengedrukt lopen op een voorjaarsbraderie of naar zo’n verschrikkelijke Kerstmarkt. Zodra ik het gevoel heb dat ergens veel mensen op afkomen, ga ik liever ergens anders heen. Als ik op vakantie ben, probeer ik ook zo veel mogelijk de plekken te vermijden waar je moet uitkijken dat je niet per ongeluk je elleboog in de oogkas van een Japanner ramt. En dat lukt me doorgaans aardig. 

 

In een grote stad als San Francisco kun je voorstellen dat dit een helse zoektocht is. Drukke plekken heb je hier genoeg, toeristische plekken nog meer. En dus loop ik de eerste weken een beetje verdwaald door de wat saaiere straten op zoek naar een plekje waar je ongestoord een tijdje op een bankje kunt zitten of dat ene parkje dat nog niet ontdekt is door de grote massa. Dat bracht me vorige week bij Telegraph Hill, waar naar het scheen een trap naar de top van de heuvel zou lopen. Trappen lopen en toeristen, of Amerikanen in het algemeen, leek me een dusdanig onwaarschijnlijke combinatie dat ik het als een veilige optie zag om uit te zoeken. Er zouden ook nog eens papegaaien zitten en dat sprak de ornitholoog in mij natuurlijk voldoende aan om er eens een kijkje te gaan nemen. Twee vliegen in één klap dus. Of beter gezegd: twee papegaaien in één klap. 

 

Nog beter gezegd: geen papegaaien in één klap, want die beesten waren uiteraard nergens te bekennen. Ik kwam welgeteld één doodnormaal vogeltje tegen; het soort waar zelfs Freek Vonk niet enthousiast van zou worden. Had ik van tevoren beter research gedaan (je bent journalist of niet), dan had ik geweten dat ze aan de andere kant van de heuvel zaten. Het enige gekwetter en gekrijs dat ik hoorde kwam van een basisschool aan de overkant van de straat. Wat restte was een flinke klim naar boven met prachtig uitzicht. Amper toeristen te zien, maar ook geen bankjes, dus de uitkomst op mijn zoektocht moet ik jullie nog even schuldig blijven. 

 

In het kader van rust en eenzaamheid besloten we onlangs ook Yosemite National Park te bezoeken. Even het drukke stadsleven verlaten voor de rust en kalmte van de natuur… Samen met 50.000 anderen. Dat zorgde ervoor dat we de zondag al om 06:00 uur opstonden om de drukte voor te zijn. Gelukkig is het park 24 uur per dag open en kun je dus gewoon naar binnen wanneer je wilt. Trouwens, we blijven Nederlanders, dus voor de budgetbewuste lezers onder jullie, als je zo vroeg gaat, is het park gratis. De kaartjesverkopers liggen nog in bed en dus kun je zo doorrijden bij de poort. Scheelt je toch zomaar 30 dollar. Kan dat weer mooi in je cursus rendierfokken of verzameling koffiefilters gestopt worden. Voor ons scheelde het dan weer niks, omdat we de dag ervoor na een file van een uur een jaarabonnement op alle national parks hadden gekocht. Maar we waren wel voor de grote stroom fotoklikkers in het park en konden dus ongestoord en ongegeneerd zelf de toerist uithangen. Het park en de geweldige Amerikaanse natuur is immers te prachtig om niet te fotograferen. 

 

Wat ik ook geweldig vind aan Amerika is het feit dat je de hele dag door kunt eten wat je wilt. Wil je om 08:00 uur ’s ochtends een steak? Geen probleem. Regelen ze voor je. Niet zoals in Nederland, waar je zelfs bij het meest Amerikaanse restaurant ter wereld voor 11 uur niet eens een Big Mac kan bestellen en je noodgedwongen zo’n kleffe, uitgescheten eiermuffin moet eten. Nee, dan is het hier veel beter. Mensen zien er ook zo gelukkig uit als je ’s ochtends vroeg langs een restaurant loopt en je ziet iemand een enorm stuk vlees naar binnen werken. Niet dat wij er gebruik van maken, maar het is goed dat de mogelijkheid er is. Je zou toch maar eens zin hebben in biefstuk, een taco of compleet paard als je net wakker bent… Alles kom je hier trouwens tegen qua restaurants, van Ethiopisch (ironisch genoeg een van de weinige all you can eat-formules) tot Boliviaans en van El Salvador tot Himalaya. Een ander geweldig punt is de zogeheten ‘fusion-keuken’ van Amerika. Verschillende kookstijlen worden daarin met elkaar gecombineerd. En dan heb ik het niet over de voorspelbare combinaties als pindakaas en chocoladepasta, maar krankzinnige ideeën als sushi-burritos en crêpes en curry. Twijfel je dus of je een Frans pannenkoekenrestaurant gaat openen of een Indische curryzaak, een dilemma waar we allemaal wel eens mee worstelen, dan doe je het toch gewoon allebei? Ik heb alleen nog niet de moed gehad om binnen te stappen. Mocht iemand van jullie echt heel erg benieuwd zijn, dan Yelp ik wel een recensie voor je…

Reactie schrijven

Commentaren: 0